Verhalen 2018

‘s Heren wegen

Van Livingstone naar Lusaka – Zambia

Het is een strijd om aan boord te komen – al moet ik zeggen dat, naarmate je langer in Afrika reist, het ellebogenwerk je steeds gemakkelijker af gaat.
Ik heb de indruk dat we vandaag dezelfde bus hebben als op de heenreis. Het zal dus net zo’n krappe bedoening worden als vier dagen geleden. Maar zoals gezegd: wij leren snel.
Terwijl we ons, net zo brutaal als de opdringerige mensen om ons heen, in de richting van de nog gesloten deur wringen, knikken we vriendelijk naar iedereen en van alle kanten wordt hartelijk teruggelachen. Ik ben als een van de eersten binnen. Met mijn rugzakje claim ik in de rij voor me een stoel voor mijn vrouw en zo zitten we allebei aan het gangpad. Als we op de heenreis al één ding hebben geleerd, dan is het dat Jan en Jelly in een Afrikaanse bus beter niet naast elkaar kunnen zitten. En nu maar weer afwachten wie er naast ons komt.
Een tenger meisje in een strakke spijkerbroek wijst naar de lege plek naast me. Ik onderdruk een vreugdekreetje. ‘Ah yes, … yes, sure!‘ Ja, graag! bedoel ik. Perfect. Ik zit gebeiteld. Mijn vrouw treft het minder. Een nogal fors uitgevallen man heeft zijn oog laten vallen op het plekje naast haar – ik denk dat ze zelfs met mij nog beter uit was geweest. Misschien heeft hij ook zijn oog laten vallen op haar, want nog voor hij gaat zitten begint hij een geanimeerd gesprek.
In mijn rij strijken aan de andere kant van het gangpad drie typisch Afrikaanse big mamas naast elkaar neer. Je vraagt je af hoe zij het daar zes uur lang met hun drie dikke konten op een rij moeten uithouden, maar Afrikaanse reizigers zijn niet zo verwend als Nederlandse. De vrouw die aan het gangpad met haar linkerbil helemaal naast haar stoel hangt, heeft een klein meisje op schoot. Een dropje, helemaal om op te vreten: prachtige ogen in een guitig zwart koppie en vlechtjes met gele en witte kraaltjes.
De chauffeur van vanmiddag is dezelfde vriendelijke lobbes die ons hier vijf dagen geleden naartoe heeft gejakkerd. Hij herkende ons toen we binnenkwamen en knikte ons bemoedigend toe. Aan de don’t panic, god is in control!-sticker boven de gebarsten voorruit zie ik dat we inderdaad in dezelfde bus zitten. De man rijdt weer net zo ongenadig hard als op de heenreis. Hij lijkt elke meter die op het 485-kilometer lange traject onder ons wegflitst te kennen. Waar mijn spiedend oog nog niets ontwaart, ziet hij de kuil of ribbel al aankomen en mindert hij ruim van tevoren vaart.

Ook nu is er weer een tien-minuten stop bij Chrome. Om de bloedsomloop weer een beetje op orde te krijgen waren we ook even uitgestapt en als we weer naar binnen willen, staat er eenzelfde scrum mensen voor de deur te dringen als toen we uit Livingstone vertrokken. Jelly is al binnen, maar ondanks mijn grootspraak van zopas, lukt het me niet om door de kluwen nieuwkomers heen te dringen. Vanuit zijn hoge positie achter het stuur ziet de chauffeur me staan en grijpt in. Op zijn gezag splijt de menigte uiteen en kan ik ongehinderd instappen. Achter me sluiten zich onmiddellijk de geledingen en wordt het gevecht om binnen te komen hervat. De chauffeur ziet in zijn grote spiegel dat we geamuseerd de heksenketel zitten te aanschouwen. Hij draait zich om, kijkt Jelly aan en zegt lachend: ‘Sorry madam, this is Africa!‘ Veel passagiers moeten lachen. Naast en schuin achter de chauffeur nestelen zich nog een paar mannen op de grond en ook nu zitten er weer twee jongens in het gat bij de deur.
De dames tegenover me hebben proviand ingeslagen en beginnen uitgebreid de versnaperingen uit te pakken.

We hebben al een paar keer een ‘bakkie’ ingehaald met in de open laadbak een groep, allemaal in het wit gestoken, vrouwen. Achterin de laatste auto die we voorbij scheurden stonden ook mannen in een wit overhemd met stropdas. Aangezien het vandaag zondag is, was mijn eerste gedachte dat het leden van een kerkkoortje zouden moeten zijn.
Even later rijden we langs een vrachtwagentje met pech. Onder de motorkap staat een man in eenzelfde verblindend wit overhemd en stropdas. Langs de kant staan zo’n vijftien vrouwen, allemaal gekleed in een donkere rok, een rode blouse en een witte hoofddoek. De zon is net ondergegaan, over een half uur staan ze in het donker.
Ik vraag aan mijn buurvrouw of het misschien leden van een zangkoortje zijn. Een koortje? Ze moet lachen. Ha, nee, het zijn gewoon mensen die uit de kerk komen. Ze legt uit dat de vrouwen van de United Church of Zambia altijd zo gekleed naar de kerk gaan.
Ik zit erover na te denken. Welk idee ligt aan dit fenomeen ten grondslag? Is het dezelfde redenering als bij het dragen van schooluniformen bij de kinderen? Opdat ze allen eender zijn?
Het is niet het enige dat ik, eenvoudige sterveling, niet begrijp. Twee blanke heidenen scheuren met 120 kilometer per uur langs ‘s heren wegen, en komen zonder malheur en zonder één minuut vertraging op de plaats van bestemming aan, terwijl vijftien diepgelovige United-aanhangers – onderweg terug van het godshuis, nog wel – stranden met autopech. De arme mensen staan waarschijnlijk nog uren in het donker te klooien.
Ik heb zo gauw geen sticker op het onfortuinlijke vrachtwagentje gezien, maar je mag toch aannemen dat voor hun vervoermiddel hetzelfde geldt als voor onze bus, namelijk dat God in control is.
Het is waar wat een vriend van ons regelmatig verzucht: Gods wegen zijn ondoorgrondelijk’. En zoals hij er dan altijd aan toevoegt: ‘… en zelden aangenaam!’