Verhalen 2017

Long night in the longhouse

mls-0707-s-1283-lemanak-longhouse-guesthouseOmgeving Sarawak – Maleisië

Ons onderkomen voor de komende twee nachten heet officieel het Lemanak Longhouse Guesthouse. Hoog op de oever van de Lemanak-rivier liggen de barakken waar de toeristen slapen. Iets verderop bevindt zich het originele longhouse waar de plaatselijke bevolking woont.
Een longhouse is een manier van wonen. In bouwkundige zin is het een langgerekte ruimte die rondom toegang biedt tot een groot aantal vertrekken: de privédomeintjes van de gezinnen die deel uitmaken van een gemeenschap.
Het centrale gedeelte heet de ruai, daar speelt zich het sociale leven af. Daar zitten vrouwen met baby’s, mannen met een sigaret en honden met schurft. Een longhouse met vijftig gezinnen of meer is geen uitzondering. Een dergelijk gemeenschapshuis zou je een minidorpje kunnen noemen: de ruai is het dorpsplein en de vertrekken zijn de omliggende woningen.
Op veel plaatsen in Azië en ook in Zuid-Amerika wonen mensen op deze manier in de jungle. Aangezien er altijd wel een onberekenbare rivier in de buurt is, staat het gebouw meestal op palen. Het kleinvee vindt onder het bouwwerk beschutting en kan bij hoog water hopelijk ergens bergopwaarts klimmen.
Ik las ergens dat heel vroeger de enige toegang tot een longhouse een paal was waarlangs je omhoog moest klimmen. Wij hadden al moeite genoeg om vanuit de boot bepakt en bezakt bij de glibberige wal op te klauteren. Bij het Lemanak Longhouse Guesthouse aangekomen bleek de traditionele paal te hebben plaatsgemaakt voor een stevige trap. Een goede ontwikkeling.
Toen we vanmiddag een kijkje namen bij de slaapvertrekken, en ik over de grijze planken van de goot tussen de slaaphokken door liep, voelde ik me een veehouder die een rondje langs zijn koeien maakt. Alsof je langs de halfopen afschuttingen van een stal loopt, of langs de hokken in een dierenasiel. Heel even flitsten de gruwelijke zwart-wit beelden van de barakken van een concentratiekamp door mijn hoofd. Ik hoorde varkens onder het gebouw knorren, maar door de kieren turend kon ik niet precies ontdekken waar ze zaten.

Het is elf uur en zojuist hebben we voor de tweede keer de slaapvertrekken opgezocht. Nu inderdaad om te slapen.
Op de kierende plankenbodem van de nissen liggen matrasjes, als je tenminste de met stof beklede lapjes schuimrubber van zo’n vijf centimeter dik zo mag noemen. Zoals we hadden gehoopt worden op onze afdeling maar vijf kotten gebruikt, zodat we een paar extra exemplaren kunnen nemen. Het helpt geen zier. Al zou je vijf op elkaar leggen, zodra je erop gaat zitten, plof je nog met je kont op de harde planken. In elk hok hangt een goed bedoelde klamboe, maar nadat ik ook bij de vierde die ik bekeek alleen maar gaten en scheuren zag, heb ik de hoop op een gaaf exemplaar opgegeven. Ik heb me van kop tot teen met deet ingesmeerd.
Ik zie op mijn wekkertje dat het een uur geleden is dat ik mijn hok heb betrokken. Slapen lukt niet. Dankzij het spastische gedrag van een paar reisgenoten die elke dag koste wat kost de airco in de bus aan willen hebben, ben ik verkouden geworden. Ik krijg met het uur meer last van mijn keel. Dat rotgevoel dat je moet slikken, maar dat juist dat slikken pijn doet. De vier zuigtabletten die ik van iemand had gekregen zijn alweer op. Onthouden voor onze reisapotheek.
Door gebrek aan het minste zuchtje wind is het zo ongenadig warm dat ik al tijden languit in mijn blootje tevergeefs lig te wachten tot er een vlaagje tocht voorbijkomt. Zelfs buiten was het de hele avond bladstil en vies, broeierig warm. Nu, na middernacht, schat ik de temperatuur hierbinnen nog op zo’n 30 graden. Ik heb de indruk dat mijn vrouw in het hok aan de andere kant van de goot eindelijk in slaap is gevallen. Zojuist heeft de laatste van onze barak het licht uitgedaan. Nog een paar keer zie ik het schijnsel van een zaklantaarn langs de hoge balken en de verroeste golfplaten van het dak gaan.
Ik luister naar de geluiden om me heen.
Thuis, in het dorp waar we wonen, kan het nog echt stil zijn. Soms zelfs overdag, maar vooral ‘s nachts als er geen verkeer rijdt. In de jungle, zo viel me een paar dagen geleden in Taman Negara al op, is het nooit stil. Ook, of misschien juist, de nacht is daar vol geluiden. Er klinkt een voortdurende ruis, alsof het regent. Het is een vrij luide en constante deken van insectengeluiden, ritselende bladeren en, hier aan de rivier, het geluid van stromend water. Af en toe hoor ik iets wat lijkt op een gil, een snerpende kreet en om de zoveel tijd klinkt een fluittoon – alsof een scheidsrechter op zijn fluitje blaast. Soms zwelt de kakofonie even aan en dan sterven de felle geluiden weer weg en hoor je alleen nog maar de monotone basisbrij.

Op een onbewaakt moment zal ik toch in slaap zijn gevallen, want ik schrik wakker van een oorverdovend koor van blaffende en jankende honden. Eén hond gilt alsof hij in tweeën wordt gescheurd. Misschien is hij de indringer waarop de roedel het heeft voorzien. Langzaamaan wordt het lawaai zachter ten teken dat de hele meute van ons vandaan loopt. Terwijl het geluid wegsterft, hoor ik dat successievelijk de een na de ander de lier aan de wilgen hangt. Er blijft één over die nog een kwartier volhardt in een agressief geblaf. Als ook zijn gekef fragmentarischer wordt en uiteindelijk helemaal stopt, lijkt de betrekkelijke rust weergekeerd. Hoewel ik er altijd verbaasd over ben hoe sommige mensen als blokken beton een hele nacht van de wereld kunnen zijn, vraag ik me toch af hoeveel er nu nog slapen. Ik druk de verlichting van het display even aan en zie op mijn wekkertje dat het twee uur is.
Misschien moest ik, nu ik toch wakker ben, de expeditie naar het toilet maar ondernemen. Hopelijk ben ik er dan voor de rest van de nacht van af. Eigenlijk hoef ik helemaal niet – bedenk dat er vanavond in deze door islamieten geregeerde outpost geen druppel bier te drinken was.
De eerste die ik bij het verlaten van de slaapbarakken in zijn snufferd schijn, is een hond die in de ontbijtruimte pontificaal op een van de tafels ligt. De vieze beesten jeuken en krabben zich de hele dag een ongeluk en er lopen een paar bij met open wonden op hun lijf en kop. Overdag worden de mormels uit ons eet- tevens woongedeelte geschopt, maar ‘s nachts kunnen ze blijkbaar ongehinderd languit op de eettafel liggen. Als ik terugkom tilt hij weer zijn kop op en kijkt me aan alsof hij wil zeggen: je hebt me op de heenreis laten liggen, ik hoop dat je nu ook doorloopt. En dat doe ik. Het beest ziet er niet uit alsof hij zich door iedereen laat wegsturen. Straks ren ik in mijn onderbroek voor de hond uit, in plaats van andersom.
Terug in mijn hok heb ik net het lampje uitgeknipt of van de ene seconde op de andere komt de regen met bakken uit de lucht. Het was me onderweg naar het toilet al opgevallen dat het onder de open overkapping opeens begon te waaien. De regen kletst hard op de golfplaten boven mijn hoofd. Nu kan ik me helemaal niet meer voorstellen dat er in beide slaapvertrekken ook maar iemand is die nog slaapt. Het voordeel van de bui is dat het nu eindelijk een beetje begint af te koelen. Ik prop de oropax nog dieper in mijn oren. Ik weet niet hoe lang het heeft geduurd voordat ik daarna wegzak, maar in elk geval heb ik nog even geslapen.

Ik schrik wakker van een alles verscheurend gekraai dwars door mijn oordoppen heen. Het lijkt erop dat een haan zich met opzet pal onder mijn bed heeft gepositioneerd om te demonstreren dat het met zijn strot beter is gesteld dan met de mijne. Ik heb nooit geweten dat een haan op volle sterkte zo hard kan klinken. Verder heb ik altijd gedacht dat ze pas gaan kraaien als het licht wordt en dat is hier zo rond een uur of half zes, zes uur. Toch zie ik op mijn wekkertje dat het kwart over vier is. Gelukkig verlegt hij algauw zijn werkterrein naar de ruimte onder de andere slaapzaal. Na de eerste kraai blijft het beest onverminderd doorgaan tot het helemaal licht is geworden.
Slapen lukt niet meer, maar aangezien er in en rondom het longhouse toch niets te ondernemen is, blijf ik liggen. Ik neem me voor om zodra het licht wordt met mijn dagboekje naar de eetruimte te verhuizen. Hopelijk is daar dan iemand die een kop koffie voor me kan regelen. En die de hond van de tafel jaagt.
De eerste van onze twee overnachtingen in het Lemanak Longhouse Guesthouse was geen succes. En dan zeggen ze ook nog dat je beter slaapt als je ‘s avonds geen alcohol hebt gedronken.

Bovenstaand verhaal is een van de 72 verhalen uit mijn nieuwste boek:
Matras voor meneer – de horeca ver van mijn bed