Oudere verhalen

Geen paniek!

Van Lusaka naar Livingstone – Zambia

Op het laatste nippertje, terwijl we in alle vroegte in de taxi naar het busstation stapten, drukte Gift mij de plastic zakken in de hand. Gift is de stralende glimlach van de receptie: ‘My name is Gift, because when I was born, my father said I was a gift from heaven!‘ Misschien heet het meisje voluit Gift From Heaven, en is haar roepnaam Gift, bedacht ik later.
In de zakken zou voor ons elk, verpakt in aluminiumfolie, een full English breakfast zitten: gebakken eieren, bacon, gebakken tomaatjes, witte bonen in tomatensaus en vanzelfsprekend de onvermijdelijke worstjes. Toen ik in de bus de pakketten voorzichtig in de bagageruimte boven ons hoofd legde, voelden ze nog warm aan. Uit de zakken kwam nog dezelfde gebakken bacon-lucht als toen Gift ermee naar onze taxi kwam rennen en ik ze in ontvangst nam.
Inmiddels hebben we ons geïnstalleerd en zien we hoe de bus volstroomt.
Links van het gangpad zijn er twee stoelen, rechts drie. We hebben eerst twee stoelen links geprobeerd, maar met onze lichamen paste dat niet. Nu hebben we met zijn tweeën drie stoelen aan de rechterkant ingepikt. Met allebei een halve bil oversteek vullen we ook de stoel tussen ons. Hopelijk blijft de middelste stoel onbezet.

Er zijn al jongens met chocoladerepen en nootjes langs geweest en de volgende verkoper die door de lage deur naar boven klimt, begint al voor hij in beeld is ‘Painkillers! Painkillers!‘ te roepen. Hij verkoopt aspirines, paracetamol en ander spul waarvan ik de naam niet kan verstaan. In de hele bus verkoopt de jongen niet één enkele pil. Kijk, dat geeft een burger moed – ik ben benieuwd wat we hadden gedaan als alle inzittenden voor de rit uit voorzorg massaal aan de pijnstillers of aan de valium waren gegaan.
Naarmate de vertrektijd nadert, wordt het me duidelijker dat de bus tot en met de laatste zitplaats zal worden gevuld. Ook bij de laatkomers spiedt het geoefende oog van het hulpje alle rijen af en wijst hij de nieuwe passagier onverbiddelijk een plek aan. Er zijn zestig zitplaatsen, zo lees ik op het plaatje boven de deur, en tegen de tijd dat we zouden moeten vertrekken zitten er inderdaad zestig mensen in de bus: 58 zwarten en twee witten – de zeven verstekelingen die naast de chauffeur half over het dashboard hangen niet meegerekend.
Het was onvermijdelijk: Jelly is zo goed en zo kwaad als het ging doorgeschoven naar het midden, waar ze nog goed wegkomt met een nieuwe buurman van minimale afmetingen; ik zit tegen het raam gedrukt. Ik win nog twee centimeter door mijn paspoort en portemonnee uit mijn rechter broekzak te halen, maar we zitten zo dicht tegen elkaar aan geperst dat we nauwelijks kunnen ademhalen. Om de zoveel tijd overleggen we wie met de schouder naar voren gaat zitten.
Naarmate er meer mensen zijn binnengekomen, is ook de bagageruimte boven onze hoofden voller geraakt. Ik heb al heel wat mensen met veel geweld tassen en linnen koffertjes in de nauwe opening boven ons zien wegproppen en opeens bedenk ik dat ik daar een halfuur geleden voorzichtig onze dampende Engelse ontbijten had neergevlijd. Je mag hopen dat het vet van de full English breakfasts die ons nog boven het hoofd hangen niet naar beneden gaat druppelen. Veel ruimte om het te ontwijken hebben we niet.
De formidabele neger achter het stuur doet me denken aan een of andere film. Zijn nek is zo breed dat zijn eveneens fors uitgevallen schouders in één vloeiende lijn overgaan in zijn hoofd. Hij heeft bovenarmen waar mijn billen met gemak in passen en ziet eruit alsof hij je in de palm van een van zijn handen tot moes zou kunnen knijpen. De man is echter een en al vriendelijkheid.

Eenmaal onderweg gaat het meteen ontzettend hard. Luid claxonnerend scheuren we rakelings langs voetgangers en fietsers, en halen we vrachtwagens en zelfs personenwagens in. Al hebben we Lusaka maar net achter ons gelaten, tot nu toe gaat het goed. Overigens, mochten we het heelhuids tot Livingstone redden, dan is dat niet de verdienste van onze chauffeur of van alle andere weggebruikers die hem op het nippertje zijn ontweken. Boven het glimmende hoofd van de bestuurder van dit projectiel staat op de zonneklep de tekst Don’t panic, god is in control! Het is jammer dat al die mensen die we rakelings voorbij scheuren het niet kunnen lezen – het zou een hele geruststelling zijn. God is in control. Er is veel af te dingen op het openbaar vervoer in Afrika, maar dergelijke garanties worden door onze Arriva en Connexxion niet gegeven.
Een uurtje geleden is de zon ongenadig op mijn ruit gaan schijnen, maar gelukkig draait de bus ergens voor Chrome het parkeerterrein op van een snelle-hap-restaurant-met-toiletten. ‘Ten minutes!‘ brult de chauffeur, terwijl alle zestig passagiers uit de bus stromen. Dit lijkt me het moment om de plastic zakken te inspecteren. Mijn vrouw kijkt met afgrijzen hoe ik een plakje bacon en een gestolde eierdooier uit de smurrie vis en opeet. De rest van mijn full English breakfast en het complete, onaangeroerde andere full English breakfast gaan in de vuilnisemmer naast het toiletgebouwtje.

Jelly’s buurman had al geïnformeerd wat onze bestemming was en gaf de tip de chauffeur te vragen om ons bij ons Wane Guesthouse af te zetten. Vanaf het eindpunt van de bus, ergens in het centrum van Livingstone, zouden we een taxi terug moeten nemen naar het hotel, terwijl we er voor de deur langs rijden. Het is alweer een tijdje geleden dat ik me naar voren heb geworsteld en het aan de chauffeur heb gevraagd, maar net op het moment dat de buurman zegt dat we er nu bijna zouden moeten zijn, mindert de bus vaart. De chauffeur draait zijn machtige lichaam om en wijst naar ons.
            ‘Madam, Sir! Here’s your Wane Guesthouse!
Terwijl we de bus nakijken schiet het me te binnen: The Green Mile, dat is hem! Het is de neger uit die gevangenisfilm met Tom Hanks.
Ik kijk op mijn horloge en constateer ik dat we netto vijf en een half uur hebben gereden over 485 kilometer: bijna 90 km/uur. Gemiddeld dus. Op de snelle stukken moeten we minstens 120 hebben gereden. Toen we twee weken geleden in Mozambique in onze aftandse truck van Nampula naar Cuamba hobbelden, deden we 25 kilometer in een uur. Blijkbaar scheelt het nogal of God in control is, of niet.