Verhalen 2018

Fassi

Omg. Konso – Ethiopië

Onze auto, deze morgen, haalt het niet bij die van gisteren, helaas geldt dat nog meer voor de chauffeur – ik heb het dan alleen over zijn rijstijl. Ik zal de oudste chauffeur van ons konvooi door het zuiden van Ethiopië geen oude man noemen, want ik denk dat hij nog niet van onze leeftijd is, maar onder zijn collega’s is meneer Fasil een vaderfiguur, met alles wat bij een vader hoort. Hij wordt door de andere chauffeurs gerespecteerd en gewaardeerd, maar evenzo vaak wordt ‘Fassi’, zoals de jongens hem noemen, niet helemaal serieus genomen. Op zijn tijd wordt hij zelfs hartelijk uitgelachen. Inmiddels noemen we hem allemaal Fassi.
Fassi is een innemende, vriendelijke man, maar ze zouden hem vandaag nog zijn rijbewijs moeten afpakken. Terwijl wij ons gisteren op de lange, vervelende rit van Addis naar Arba Minch prinsheerlijk de nieuwe Nissan van Abaine lieten welgevallen, moeten de mensen in Fassi’s Toyota doodsangsten hebben uitgestaan. Ik kan me herinneren dat er toen inderdaad nogal werd gemopperd over de chauffeur van ‘nummer drie’. Vooral toen het donker werd, en al helemaal toen we ook nog eens een hindernissenparcours langs de wegwerkzaamheden van de nieuwe doorgaande weg moesten afleggen, bleef Fasil steeds ver achter. Alle auto’s hebben nummers, en na overleg met onze reisleider werd Fassi toen tot nummer 2 gepromoveerd, in dit geval gedegradeerd.
Onderweg naar het Dorze-dorpje, reden we pal achter hem en waren we er getuige van hoe hij bij het passeren van een tegenligger zo ver naar de kant ging dat hij met zijn wielen van de weg gleed. Abaine zag het hoofdschuddend aan. Fassi’s oude Landcruiser heeft daar, met alle passagiers aan boord, een kwartier gehangen, alvorens hij op aanwijzingen van de jongens weer vaste grond onder de wielen kreeg. Voor zijn collega’s moet deze man een blok aan het been zijn.
Het is niet sportief om steeds de beste auto en chauffeur te veroveren, vandaar we op dag 1 hebben besloten te rouleren. Vandaag zijn wij de klos, wat betekent dat we aan Fassi zijn overgeleverd. Ik moet zeggen: tot nu toe gaat het aardig.
Misschien is een vergelijk met Abaine, de jonge aanvoerder van de chauffeurs, niet helemaal eerlijk, want de auto waarmee Fassi zich op onze reis moet behelpen gaat ook niet bepaald vrijuit. Er zijn wat tekortkomingen met de portieren en zo, maar het eerste manco waarmee de beste man bij het begin van elke rit wordt geconfronteerd, is een falende startmotor. Waar we ook parkeren, Fassi hannest net zo lang heen en weer tot hij zijn Toyota met de neus naar beneden op een hellinkje heeft neergezet.

Als je in de omgeving van Arba Minch vertraging oploopt, komt het zelden door files. De kans dat je op een kudde ‘langzaam rijdend en stilstaand’ vee stuit, is echter wel groot. Voor de tweede keer zitten we midden in de koeien. Even dacht ik dat Fassi een ware runderslachting wilde aanrichten, maar gelukkig had hij net op tijd door dat hij in de remmen moest. Abaine voor ons heeft zich al handig door de kudde heen gewerkt, maar nu onze Fassi nog. Het is een prachtig gezicht, al die koeien. Het zijn er wel honderd, denk ik.
De confrontatie kon niet op een ongelukkiger plek plaatsvinden. Precies in de buitenbocht van de weg om de heuvel. De bruine en zwarte konten schuiven tergend traag voor onze motorkap aan de kant. De hoeder staat gelaten met zijn paraplu in de hand te kijken hoe de auto’s om zijn dierbare beesten heen laveren. Geiten, maar ook schapen, ezels en zelfs logge koeien tuimelen volgens mij zelden in de afgrond. Zijn het niet altijd de tweevoeters (en de vierwielers) die dit overkomt? Na ons komen nog drie auto’s en hangend uit het open raam zie ik dat na nummer vijf de koeien de gelederen weer sluiten.

Fassi heeft niet echt hindernissen nodig om zijn onzekere rijstijl te demonstreren. Op een kale weg waar geen sterveling te bekennen is, claxonneert hij soms verontrust. Volgens mij ziet onze chauffeur de helft niet. Ook anticipeert hij totaal niet op wat er zich voor hem op de weg afspeelt – al een paar keer heb ik op het punt gestaan hem te attenderen op een wegblokkade. Fassi heeft al twee keer zijn kapotte bril uit het vakje in het dashboard gevist en hem na een paar minuten ook weer teruggelegd.
Waar je buiten de bebouwde kom vrij baan hebt, sukkelt Fassi tot grote ergernis van de andere chauffeurs met een gangetje van 70 kilometer per uur voort, maar met dezelfde snelheid racet hij niets en niemand ontziend door de dorpen. Mensen en dieren kijken angstig om als Fassi rakelings voorbij scheurt.
Jelly en ik hebben al een uur het zweet in onze handen staan. Als ik tijdens een plasstop onze rampzalige chauffeur bij reisleider Frank ter sprake breng, lijkt hij al voor negentig procent besloten.
            ‘Ik weet het, Jan. Ik denk dat ik hem moet ontslaan,’ zegt hij aarzelend.
Ik snap zijn probleem. Als we Fassi de bons geven, lopen we nog meer vertraging op en dat kunnen we deze week niet gebruiken. Frank overlegt kort met Abaine die even later naar Fassi en de anderen loopt. Fassi is voortaan, na Abaine, nummer 2, het konvooi krijgt de instructie om op de buitenwegen maximaal 80 te rijden, en zodra we een dorpje binnenrijden is 20 de limiet.
We duwen de auto van Fassi aan en gaan weer verder.

Links van ons, een eindje van de weg af, ligt een dode dikdik waaraan gieren zich te goed doen. We wijzen en kijken, ook Fassi kijkt geboeid naar links. Hij wil net iets vertellen als Jelly en ik tegelijk hard ‘Stop!‘ gillen. Gelukkig zijn de oren van onze chauffeur beter dan zijn ogen, hij remt uit alle macht. Wat hij even niet had gezien, was dat Abaine moest afremmen voor een paar diepe kuilen in het slechte wegdek. Op een halve meter van zijn achterbumper staan we stil. Het hart klopt me in de keel, maar Fassi kijkt ook nu weer alsof er niets aan de hand is. Misschien til ik er te zwaar aan, maar bij een frontale botsing zit ik wel op de eerste rij.
We vragen Fassi of hij misschien iets minder dicht op onze voorganger kan rijden. En of hij misschien ook iets minder hard door de dorpjes kan rijden – we bedoelen: ook iets minder blindelings, maar dat durven we niet te zeggen.
Hij zal het niet leuk hebben gevonden om te horen, maar nadat we het hebben gezegd, voelen we ons iets comfortabeler in auto nummer 2.