Verhalen 2019

Er zijn grenzen

Kirgizië – De Torugart-pas

Het is vrijdag. Dat betekent dat de Chinese grens op de Torugart-pas onverbiddelijk om 12.00 uur sluit. Het betekent ook dat, als we het niet halen, we bijna drie dagen voor de gesloten slagboom kunnen wachten tot het moment waarop een of andere man-met-grote-pet maandagmorgen te tijd rijp acht om zijn loket te openen.
Als ik Roma mag geloven hangt dat tijdstip elke morgen af van het moment waarop de wodka van de vorige avond is uitgewerkt.

Het komt dan ook niet echt gelegen dat chauffeur Roma en zijn bijrijder – overigens voor de vierde keer sinds we twee uur geleden uit Tash Rabat vertrokken – inmiddels meer dan een kwartier onder de motorkap in de weer zijn.
Gisteren was het met onze aftandse bus ook al de hele dag pappen en nathouden. De oude Mercedes is niet te starten, maar gelukkig zijn we met zijn vijftienen. Vanaf het begin is ook het schakelen een grote ellende: Roma moet noodgedwongen ‘in zijn twee’ optrekken en ook tijdens het rijden wordt er regelmatig – na vergeefs trekken en duwen met de lange spook – ‘dan maar een versnelling overgeslagen’. Sinds gistermorgen moet er blijkbaar om het halfuur koelwater worden bijgevuld.
Vanuit de bus hebben we weinig zicht op Roma’s werkzaamheden achter het omhoog staande motorkapje, maar als ik hem zie valt het me op dat hij vandaag zorgelijker kijkt dan gisteren. Af en toe werpt een van de mannen van onze groep, bij wijze van deelneming, een quasi-deskundige blik in het vooronder van de oude brik. Elke keer als Roma met een vieze lap het zweet van zijn hoofd veegt, zijn er inderdaad even geen zweetdruppeltjes te bekennen, maar is hij wel weer iets zwarter om zijn kop geworden. Zijn hulpje gooit proestend een halve fles koud drinkwater over zijn gezicht. Hij was zo dom om de radiateurdop iets te abrupt los te draaien – moet je nooit doen bij een kokende motor: het is namelijk niet de motor die kookt maar het koelwater.

Veel te fotograferen is er ook al niet. Als je ergens in Azië of Afrika strandt, heb je in no-time de fotogenieke plaatselijke bevolking om je heen staan, maar al de tijd dat we hier staan zijn er zegge en schrijve twee vrachtwagens met schroot voorbijgekomen. Op onze reizen heb ik aan menig pechoponthoud aardige foto’s overgehouden, maar de kale vlakte hier is eindeloos: in de verste verte geen enkele struik, boom of beest te bekennen. Niets om ons heen duidt op bewoning. Ondanks de twintig graden die we hier op drieënhalve kilometer hoogte meten, oogt de omgeving alsof het continu wordt gegeseld door een snijdende poolwind. Eigenlijk zijn de staalblauwe luchten van gisteren of de dreigende wolken van vandaag het mooiste van het landschap.
Nadat we de bus weer hebben aangeduwd kan iedereen weer aan boord. Om te voorkomen dat onze enige steun en toeverlaat onderweg naar China afslaat, geeft Roma bij het wegrijden een straal gas alsof we in een vliegtuig zitten dat over vijftig meter van de grond moet loskomen. Met een knal barst een blauwe rookwolk onder de bus vandaan. Als de dampen zijn opgetrokken lijkt het weer even alsof we vanaf nu een zorgeloze rit voor de boeg hebben. Echter, willen we niet tot maandagmorgen 10.00 uur in deze verlaten steppe zitten opgesloten, dan mag er nu niets meer misgaan. Het klokje in het dashboard – zo ongeveer het enige onderdeel van de bus dat nog onberispelijk functioneert – wordt door iedereen nauwlettend in de gaten gehouden.

Om 11.00 uur zijn we bij de Kirgizische grens – voor alle duidelijkheid: we gaan niet één grens over, we gaan twee grenzen over. Eerst verlaat je Kirgizië teneinde zo’n twintig kilometer niemandsland te betreden. Daarna reis je vanuit het niemandsland naar China.
Terwijl we voor de zoveelste keer op onze reis door Centraal-Azië druk zijn met het invullen van formulieren en het bemachtigen van stempels, rijdt Roma de bus naar een werkplaats iets verderop. Als alles aan de Kirgizische grens is afgehandeld moeten we wachten op een telefoontje van de Chinese grenspost ter bevestiging dat er Chinees vervoer voor ons onderweg is naar het checkpoint tussen de beide grensposten, precies op het hoogste punt van de Torugart pas. Het schijnt regelmatig voor te komen dat toeristen, op dit punt aangekomen, retour afzender kunnen omdat er ‘vanaf de andere kant’ geen vervoer is komen opdagen.
Nadat Roma opnieuw het koelwater heeft bijgevuld – en we hopelijk voor de laatste keer het vehikel hebben aangeduwd, rijden we zonder onderbreking door naar de controlepost halverwege. Verder hoeft ook niet. We zijn er. Godzijdank. Mooi zo. Met alle waardering voor Roma, maar vanaf nu mag zijn bus van voor tot achter overkoken of in blauwe rookwolken opgaan. Gehaast nemen we afscheid van Roma & Co en maken we kennis met onze nieuwe, Chinese chauffeur. En, niet onbelangrijk, met een andere bus.
Alle bagage wordt gecontroleerd en blijkbaar moet er ook ‘iets met de passanten’ worden gedaan. Terwijl Roma en onze nieuwe chauffeur druk zijn met het invullen en uitwisselen van papieren, lopen wij ogenschijnlijk doelloos van het ene loketje naar het andere. U hebt een loket overgeslagen – ga terug naar AF en ontvang alsnog de stempel. Is er eindelijk het nodige te fotograferen, is het streng verboden. Ik moest het ook maar niet doen: zes Chinese soldaten met hun geweren houden alles nauwlettend in de gaten. Ik las ergens dat de mannen zonder pardon je paspoort innemen als je wordt betrapt.
Links en rechts van ons staan vrachtwagens afgeladen met oud ijzer en dierenhuiden in de richting van China, ladingen Chinese thermosflessen, bier en porselein gaan de andere kant op.

Tien kilometer bergafwaarts komen we bij de Chinese grens. Het is 12.00 uur precies als we opnieuw allemaal met al onze bagage moeten uitstappen en, na weer eindeloos wachten, een voor een aan de beurt komen. Ook hier de ene controle na de andere, waarbij iedereen op een tafel alle ritsen van zijn bagage moet openen. De grote petten zien ze niet eens wat ze aan het doen zijn: terwijl ze lukraak spullen uit je rugzak trekken, kijken ze ongeïnteresseerd om zich heen. Zonder ook maar een blik op jou en je bagage te hebben geworpen gebaren ze nonchalant dat je alles weer kunt inpakken.
Tot slot moeten we een voor een door een poortje waar een pistool op je voorhoofd wordt gezet: het is een thermometer om te checken of je wel helemaal fris en fruitig het land binnenkomt. Als de Chinese douane ervan overtuigd is dat we allemaal de juiste documenten, stempels, bagage en lichaamstemperatuur hebben, kunnen we verder.