Verhalen 2017

Een steen in de weg

Van onderstaand verhaal dat zich afspeelt in Larabanga ( Ghana) is deze week een ingekorte versie verschenen op de interessante reissite Reisbijbel.nl (voorlopig nog even op de home-page, maar later altijd vindbaar onder de tips). Reisbijbel heeft deze reis-tip de titel  Een steen in Ghana met een bijzonder verhaal gegeven.

Larabanga – Ghana

Aan mijn verzoek om, onderweg naar de Larabanga-moskee, even te stoppen bij ‘de steen’ wordt met tegenzin gehoor gegeven. Volgens onze reisleider Doudou konden we het beter niet doen, en wel omdat het gewoon niet interessant is. Nadat ik in de bus uit een reisgids het verhaal van de steen heb voorgelezen, zijn er behalve Jan Boonstra en zijn vrouw opeens nog zes mensen die de magische steen graag willen zien.
Een islamitische handelsreiziger genaamd Ayuba reisde in 1421 door de streek. Toen hij op een goede dag laat in de avond in Larabanga verzeild raakte, besloot hij op een mooie vlakke steen de nacht door te brengen. Hij droomde over de bouw van een moskee in Larabanga en toen hij de volgende morgen een kijkje ging nemen op de plek waar een en ander volgens de instructies in zijn droom zou moeten gebeuren, bleken daar de fundamenten voor de moskee al te liggen.
     Om een lang verhaal kort te maken: Ayuba blijft in Larabanga, hij bouwt de moskee af, en hij ligt nu begraven onder de baobab naast de moskee. Het wonder van de fundamenten – door een hogere macht gerealiseerd terwijl de koopman zich op de steen nog een keertje omdraaide – maakt deze oudste moskee tot een extra heilig gebouw.
     Minstens zo heilig als de moskee is de steen in kwestie, per slot van rekening is het daarmee begonnen. Hij ligt al bijna zeshonderd jaar ten westen van Larabanga en zal daar blijven liggen, wat er ook gebeurt. Toen, halverwege de vorige eeuw, de nieuwe weg in de richting van Sawla werd aangelegd, bleek de steen in de weg te liggen. Het heilige obstakel werd een eindje verderop gelegd, zodat de weg rechtdoor kon worden getrokken. Toen de wegwerkers de volgende morgen op het werk kwamen, bleek de steen te zijn teruggelegd. Nog een paar keer werd de steen verplaatst, maar op wonderbaarlijke wijze bleek hij al die keren de volgende morgen op de oude plek te liggen. Ten einde raad heeft men toen besloten de weg met een boogje om de steen heen te leggen.

          ‘I don’t think it’s very interesting,‘ herhaalt Doudou zijn eerder verkondigde mening.
          ‘You don’t decide for us what is interesting or not,‘ zegt mijn vrouw.
Enkele reisgenoten vallen haar bij: ‘Yes, why not have a look at the stone?
Onze reisleider is mijn tegengas tegen zijn plannen inmiddels gewend, maar nu de protesten uit onverwachte hoek komen, gooit hij algauw de handdoek in de ring.
          ‘There’s really nothing tot see. It’s just a stone,‘ is zijn laatste stuiptrekking in de discussie. Later hoor ik hem tegen onze chauffeur zeggen dat we bij de steen moeten stoppen: ‘They want to see the stone‘.
     De bus wordt op een stukje splinternieuw asfalt geparkeerd waar de, in oranje-geel gestreepte hesjes gestoken Chinese wegwerkers er geen last van hebben. Net als zestig jaar geleden is de weg opnieuw onder constructie. Zo te zien wordt de zaak nu grondig aangepakt: het traject is ruim aan weerszijden kaalgekapt. Voor ons verdwijnt de gravelkleurige, kilometerslange tennisbaan waar later het asfalt op komt in het groen aan de horizon.
     Midden in een perkje dat is afgeschut door een vierkant van muurtjes is de befaamde steen op een sokkel geplaatst, blijkbaar kon dat straffeloos gebeuren. Volgens de met ons meerijdende plaatselijke gids Mohammed is de omheining bedoeld om te voorkomen dat passanten vanaf de weg spullen op de steen gooien – gezien de afstand moet je een leven lang op korfbal hebben gezeten, wil je wat-het-maar-mag-zijn vanaf de rode baan precies op de steen kunnen gooien, maar misschien is het inderdaad de reden. Het muurtje zal er niet zijn neergezet om diefstal tegen te gaan, aangezien je mag aannemen dat hogere machten er in dat geval voor zullen zorgen dat de steen de volgende morgen weer op zijn plek ligt.
     Ik moet Doudou nageven dat er aan de platte steen niets is te zien, maar dat had ook niemand verwacht. Veel fascinerender is de aanblik van het tracé van de nieuwe weg, die recht op ons afstevent en vijftig meter voor ons, naar links uitwijkt. Nadat de roodbruine baan met een boog om ons heen is gegaan, volgt hij achter ons weer de oorspronkelijke lijn, richting Wa. Zouden deze wegenbouwers, net als hun collega’s zestig jaar geleden, ook de afgelopen maanden een paar keer hebben geprobeerd de steen een eindje te verplaatsen? Ik denk het niet, ik weet niet wie er toen aan de weg werkten, maar deze Chinezen vinden een extra bochtje allang best.
     Nadat Doudou heeft geïnformeerd of wij al denken dat we steen goed genoeg hebben gezien, lopen we terug naar de bus.

Bovenstaand verhaal is een fragment uit Mosesvogels – een rondreis door Ghana (Uitgeverij U2pi, Den Haag).