Verhalen 2017

Dikke mensen kunnen niet rennen

Kandy – Sri Lanka

Het hek van de Kandy Garrison Cemetry staat inderdaad open. In tegenstelling tot hetgeen vermeld in alle reisgidsen, verzekerde de uitbater van de Victory bar ons gisteravond dat de begraafplaats vandaag, zondag, wel degelijk open zou zijn.
Geen wonder dus dat er, behalve ons, op het hele terrein geen levende ziel te bekennen is. Weliswaar gaat er niets boven het in je eentje over een kerkhof dwalen, ware het niet dat ik me had verheugd op de aanwezigheid van de in de Lonely Planet zo aangeprezen caretaker. De man zou de gave hebben om boeiend en geestig over de hier begraven Britse kolonisten te vertellen. Vandaag is er blijkbaar geen caretaker. We zullen zelf onze fantasie moeten laten werken.
De meeste teksten op de halfvergane zerken zijn amper nog te lezen. Hoe pompeuzer de zerk en hoe groter het eventuele hekje eromheen, hoe belangrijker de betreffende kolonist zal zijn geweest. Veel jonge mensen, zie ik. Soms staat de doodsoorzaak op de steen vermeld: killed by a sunstroke, killed by cholera. Of deze uitvoerige formulering: died as a result of the injuries received in an accident. Geen van de namen zegt me iets, al klinken ze wel allemaal erg Brits – wat te denken van Christopher Wren?
Amper halftien is het al ongenadig heet, helaas ligt niet elke kolonist onder een boom begraven. Jelly zit al een tijdje op het muurtje onder de grote boom, en nu, na drie kwartier zerken ontcijferen, hou ik het ook voor gezien.
Terug bij de ingang vraag ik aan een man die aan de overkant van de weg staat waarom er vandaag geen caretaker is. Hij wijst naar het witte huisje waar we voor staan en roept iets. Dan verschijnt in de deuropening het verbaasde gezicht van een jongen in een wit T-shirt – ongetwijfeld niet de man uit de Lonely Planet want ik schat hem op een jaar of 18.
De echte caretaker, zo begrijpen we, is zijn oom, maar die is er even niet. Vandaag is hij de caretaker. Of wij misschien de begraafplaats willen bekijken? Ik zeg dat we er net een uur hebben rondgedwaald en dat we eigenlijk van plan waren weg te gaan. We overleggen snel en ik krijg mijn zin: we gaan voor de herkansing. De gids op onze tweede verkenning van de begraafplaats van het Britse Garnizoen in Kandy heet Harsha.

Na ene James McGlashan (een kapitein in het Britse leger die in 1815 nog bij Waterloo Napoleon had overwonnen, maar twee jaar later in Ceylon door de malariamuggen werd verslagen), en na ene Macwood die van zijn paard viel, en wel uitgerekend op een spies die hem van achteren naar voren doorboorde, komen we bij een bekende naam: Cargill, de oprichter van de supermarkt van Sri Lanka.
Volgens Harsha is de Cargill supermarktketen een van de goede dingen die de Engelsen hebben gebracht. Natuurlijk ook de wegen, het spoor en de scholen, maar ik heb toch de indruk dat in zijn beleving de supermarkten met stip op 1 staan.
            ‘What about tea?‘ vraag ik.
Oké, ook de thee dan. Ongevraagd meldt Harsha dat ze ook slechte dingen hebben gebracht: alcohol en tabak.

Vervolgens staan we stil bij de dood van meneer Robertson. Hoewel ook het verhaal over zijn einde niet echt grappig is, verbeeld ik me dat Harsha het toch vrij laconiek brengt.
De Schot vond het een aardig tijdverdrijf om olifanten neer te schieten, een hobby die ook daarna nog – en niet zelden in de betere kringen – schijnt te zijn voorgekomen. Op die fatale 29e augustus in 1856 liep het verkeerd af. Niet zoals alle voorgaande keren verkeerd voor de olifant, maar voor de jager. Robertson wordt door zijn beoogde prooi in twee stukken gescheurd. Net goed, zeg ik. Harsha knikt instemmend: ‘Yes. In two pieces.’
Ik zeg dat de olifantenjacht dus ook thuishoort in het rijtje ‘slechte Britse erfenissen’.
            ‘Yes,‘ zegt Harsha, ‘they should have hunted monkeys instead.’
Dat alcohol een van de slechte dingen is die de Engelsen hier hebben gebracht, ben ik niet met Harsha eens, maar over apen denken we gelijk.

Ik zeg dat ik ook iemand heb gezien die aan een zonnesteek is overleden. We staan er toevallig vlakbij. Harsha gaat er breeduit voor staan – ik kan niet anders zeggen dan dat de ‘echte’ caretaker in zijn neefje een waardige opvolger heeft gevonden.
            ‘Mr McGill was a fat gentleman,‘ begint Harsha.
            ‘Like me,‘ zeg ik, maar Harsha laat zich niet van de wijs brengen.
            ‘He was watching birds when a crazy elephant attacked him.
Ik val Rasha opnieuw in de rede omdat er op de zerk staat dat hij een zonnesteek kreeg. Rasha houdt zijn mond, doet heel even de ogen dicht alsof hij zeggen wil: ben je nu klaar met je zonnesteek en kan ik verder gaan?
            ‘He tried to escape, but he could not run fast enough. Because he was fat.
Om het leven van de corpulente vogelspotter af te ronden: McGill rende zo hard dat de hitte hem noodlottig werd. Ik kan me er op een dag als vandaag iets bij voorstellen, maar was het dan misschien eerder een hartaanval? Volgens Harsha is het volstrekt duidelijk: ‘He dehydrated.‘ Einde verhaal. En alsof hij daarmee korte metten wil maken met mijn muggenzifterij over de doodsoorzaak, vat hij het tragische einde van meneer McGill nog één keer kort samen: ‘He died, because fat people can’t run.
Terwijl we naar de uitgang van de begraafplaats lopen, en ik weer eens het zweet van mijn hoofd dep, bedenk ik dat Harsha weleens gelijk kon hebben. Ik neem me voor om het vandaag kalm aan te doen.